In de slotminuten van zijn laatste film verschijnt regisseur Aleksej Balabanov plots zelf ten tonele. Als een zelfverklaard ‘lid van de European Film Academy’, die in een desolaat sneeuwlandschap de laatste adem uitblaast. Zijn laatste woorden: “Ik wil geluk.”

Related movies

Het is zonder meer de meest morbide, maar misschien ook wel de mooiste cameo uit de filmgeschiedenis. Want acht maanden na de première van zwanenzang Me Too werd Balabanovs gefilmde dood werkelijkheid. In een sanatorium nabij Sint Petersburg, op 21 mei 2013, overleed hij op 54-jarige leeftijd aan een hartinfarct. Hij was al enige tijd ernstig ziek, maar tevens werkzaam aan een nieuwe film, over Jozef Stalin. Tegen beter weten in waarschijnlijk.

Menig regisseur heeft in zijn laatste film gepoogd de eigen angsten over de naderende dood en de vergetelheid te beteugelen. Zoals Akira Kurosawa met Madadayo (1993), over een professor op leeftijd wiens studenten hem elk jaar tijdens zijn verjaardag vragen of hij al klaar is om te sterven. Waarop de oude man steevast antwoordt: “Mada dayo!” (nog niet).

Ook Balabanovs landgenoot Andrej Tarkovski, die eveneens niet ouder dan 54 werd, regisseerde zijn laatste film wetende dat het einde nabij was. Terwijl de kanker zich door zijn lichaam verspreidde filmde hij in Zweden Het offer (1986), waarin een schrijver al zijn bezittingen belooft op te offeren om de mensheid voor uitroeiing te behoeden. Tarkovski droeg de film op aan zijn zoon, “met hoop en vertrouwen”.

Maar zo confronterend als Balabanovs sluitstuk zijn die films niet. Want geen van allen brachten ze de dood van de maker zo dichtbij. Toch is Me Too zeker geen droeve bedoeling geworden, ook al gaat de film vrijwel uitsluitend over de dood. Want altijd is daar Balabanovs sardonische gevoel voor humor. Zelfs zijn eigen sterfscène heeft iets komisch.

De drie dolende zielen die in Me Too centraal staan – een muzikant, een bandiet en zijn alcoholistische vriend – zijn typische Balabanov-personages. Ze hopen het eeuwige geluk te vinden in een klokkentoren, gesitueerd in een onheilspellend landschap waar een nucleaire winter heerst. Wie uitverkoren is, zo doet het verhaal de ronde, zal door de toren uit de hel bevrijd worden.

Me Too is een vreemde film, zonder meer. Deels roadmovie en deels magisch-realistische parabal. In niets lijkt op de rauwe gangsterfilms die hem een grootheid in eigen land maakte: Brat (1997) en Brat 2 (2000). Of op de schandaalfilm die hem de titel van enfant terrible van de Russische cinema opleverde: het briljante Cargo 200 uit 2007. Een gruwelijke aaneenschakeling van moord, verkrachtingen en rottende lijken.

Geluk is voor de personages in Balabanovs films eigenlijk nooit binnen handbereik geweest. Daar zorgde de Russische maatschappij wel voor, met zijn corruptie, drankmisbruik en geweld. “Een collectief portet van ons land in de meest dramatische periode in de geschiedenis”, zo omschreef de Russische premier Dmitri Medvedev treffend het oeuvre van Balabanov, in een verklaring na zijn dood.

Dat juist in zijn laatste film toch een sprankje hoop aan de horizon gloort, is waarschijnlijk alleen maar menselijk. Met het sterfbed in het verschiet zoekt zelfs de grootste pessimist naar vleugjes optimisme.

Al antwoordde Balabanov tijdens een Q&A op het International Film Festival Rotterdam, vijf maanden voor zijn dood, op de vraag of hij zelf dacht hij het geluk verdiende: “Nee, daar heb ik in mijn films teveel mensen voor vermoord.”

Jelle Schot is filmjournalist voor de VPRO